Komt u ook?
Archief
Categorieën

Meditatie 16 oktober 2015

Ik zal in alle eeuwigheid  in Uw tent verblijven… Eeuwig zal hij tronen voor Gods aangezicht. (Ps.61:3b)

 

David ziet de toekomst rooskleurig in. Niet omdat hij een optimist is van nature. Maar omdat hij in geloof op God ziet. Hij spreekt in Psalm 63 de verwachting uit de hij ‘voor eeuwig’ in Gods huis zal wonen en ‘voor eeuwig’ op de troon zal plaatsnemen. Het is een kwestie van geloof, van verwachtingsvol uitzien naar de Heere. Want wie het begin van het lied leest, proeft daarin dat de huidige omstandigheden van David niet echt rooskleurig zijn. Hij verblijft ver van Jeruzalem, ver van het paleis, en wat hij vooral betreurt: Ver van Gods huis.

Maar alles zal anders worden. Dat ziet David in geloof. Hij zingt: Eeuwig zal ik wonen in Gods tent (Zijn woonplaats), en eeuwig zitten op de troon. ‘Eeuwig’: dat betekent in het Oude Testament ‘zo lang je je kunt voorstellen’. Zo ver reikt de verwachting van David. Het is ver weg geweest met zijn leven: hij was aan ‘het einde van het land’, waar zijn hart het zou hebben begeven, waar zijn leven bijna was weggenomen. Maar David verschuilt zich bij God, de God die zijn Toevlucht is, als een sterke Toren die hem beschermt. De vijanden hebben het nakijken. En God opent de weg terug: Naar de stad, het paleis en de tempel. David zal wonen waar God woont.

Herkennen wij dit verlangen van David? Kennen we het verschil tussen ‘ver van God’ en ‘dichtbij God’? Kunnen wij de nabijheid van de Heere in Zijn gemeente ook niet missen? Of blijven we rustig op afstand? God woont waar Zijn gemeente bijeenkomt, waar aan de gemeente het Evangelie wordt verkondigd. Daar wil je toch zijn? Als je de kerkgang moet missen, dan voel je je toch ontheemd? Dan is het toch alsof het middelpunt uit je leven verdwenen is?

Als David denkt aan de stad en de tempel, de plek waar God bij Zijn volk woont, dan roept dat twee dingen bij hem op. Twee beelden. Het eerste staat in vers 3: De rots. De rots, het beeld van vastheid, van grond onder je voeten. David weet dat het tijdelijke leven maar een heel wankel iets is. Er overkomt je zo veel. De blijdschap die je kent, de krachten die je kreeg, dat ontvalt je soms zomaar. Het leven is kort, en elke dag sterf je een beetje. En dan de tegenslagen, de zorgen, de aanvechtingen. Het bepaalt je erbij dat er een fundament nodig is, een rots om op te bouwen. We hebben dringend behoefte aan vastheid en aan zekerheid.

‘Leid mij op een rots, die voor mij te hoog zou zijn’, bidt David. Hij geeft ermee aan dat het houvast hem van God uit wordt gegeven. Hijzelf is niet bij machte die hoogte te bereiken. Een hoge rots. Daarop was het huis van God gebouwd. Maar meer nog: daarop worden wíj gebouwd waar het fundament van het heil, Jezus Christus, wordt gelegd. In de verkondiging van het Woord staat Hij centraal. Daarvoor moet je in de kerk zijn: om in de Heere Jezus Christus voor eeuwig grond onder je voeten te krijgen. In Zijn leven, lijden, sterven en opstanding is Hij de ‘Vaste Rots van mijn behoud’.

Het tweede beeld dat David gebruikt, staat in vers 5: De vleugels van God. Is het beeld ontleend aan de vleugels van de engelenfiguren die stonden in de tempel, boven de Ark? Is het ontleend aan de jonge vogeltjes, die onder moeders vleugels veilig zijn? Hoe dan ook, het is een teer beeld. Het wijst op nabijheid en op veiligheid. Het wijst op het geborgen zijn in de hoede van de Heere. Mooi hoe David dat in verband brengt met het wonen in Gods tent, Zijn huis. Daar is beschutting, daar is God nabij.

Hoe is God nabij in Zijn huis, Zijn gemeente? Als de God van volkomen zaligheid. De God die verzoening vond in het offer – ooit afgebeeld door de offers van het oude verbond. Het offer dat Gods Zoon gebracht heeft, is van eeuwige waarde, van onschatbare betekenis. In vertrouwen op dat offer word je geoefend waar Gods gemeente samenkomt. Je hebt dan ook niets te vrezen in Gods huis – behalve je eigen ongeloof. Maar God wacht je daar op om je (wie je ook bent!) te verbergen onder Zijn vleugels. Mocht je nog ver van God af zijn… kom spoedig dichtbij. Hij staat gereed om je genadig te ontvangen.

J. Boom