Archief
Categorieën

Homoseksualiteit en de Christelijke Gemeente

 

HOMOSEKSUALITEIT EN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE

 

Inleiding

 

Homoseksualiteit is een van de meest ingewikkelde en gevoelige ethische thema’s, vooral wanneer het aan de orde gesteld wordt in religieuze gemeenschappen, zoals in kerken. Het gaat hier om een thema dat in de context van onze cultuur beladen is, verschillen in de omgang met de bijbel aan het licht brengt en tegelijk de diepste gevoelens van mensen raakt. Daarom is elke goedkope beoordeling ervan ongepast en is een grote mate van zorgvuldigheid en gevoeligheid bij de bespreking ervan op z’n plaats.

In deze notitie luisteren we naar een aantal bijbelse woorden over (homo)-seksualiteit. Vervolgens worden een aantal gegevens uit de biologie en psychologie ingebracht. Na een beschouwing over de beoordeling van homoseksualiteit in de huidige cultuur, volgt een deel over het spreken van de kerken. Tenslotte wordt een poging gedaan tot het samenbrengen van een aantal lijnen en het concreet vertalen van de opbrengst daarvan naar de omgang met homoseksualiteit in onze gemeente.

 

Bijbel en (homo)seksualiteit

 

In de bijbel vinden we een aantal teksten waarin uitdrukkelijk de seksuele verhouding tussen mensen van hetzelfde geslacht aan de orde wordt gesteld. Het gaat daarbij om Gen.19 (de mannen van Sodom), Lev.18 en 20 (wetgeving), Rom.1 (de praktijken bij de heidenen), 1 Cor.6 en 1 Tim.1 (‘zij die met mannen slapen’ HSV). Over deze teksten zijn ontelbare discussies gevoerd en vele boeken en artikelen geschreven. In de benadering van de genoemde bijbelteksten kunnen we drie groepen onderscheiden:

 

  1. Sommigen leggen de teksten zo uit dat deze geen betrekking hebben op wat wij in de 21e eeuw verstaan onder een homoseksuele relatie. In Gen.19 zou het gaan om een ziekelijke bezetenheid van seks en van de schending van het recht van gasten, niet om homoseksuele relaties van liefde en trouw. De bepalingen in Lev.18 en 20 zouden alleen voor Israël gelden. Omdat in de culturen van Kanaän sprake was van prostitutie in tempels, ook door mensen van hetzelfde geslacht, bepaalde God dat Israël zich ook in dit opzicht moest onderscheiden van de buurvolken. Wanneer je in liefde en trouw een relatie aangaat, onderscheidt je je ook voldoende van anderen die er vele losse contacten op nahouden. In Rom.1 zou het opnieuw gaan om het soort bezetenheid dat ook in Sodom voorkwam, en dan speciaal om seks tussen mensen die eigenlijk heteroseksueel waren. En in 1 Cor.6 en 1 Tim.1 worden met ‘zij die bij mannen liggen’ mannen bedoeld die (ook al waren zij met een vrouw getrouwd) een homo-erotische relatie hadden met jongens, iets wat in de oudheid vaak voorkwam. Daarom vertaalt bijv. de NBV hier met ‘knapenschenders’.
  2.  

  3. Hiertegenover staan anderen die menen dat, ook al staan alle bijbelteksten in de context van de toenmalige antieke en heidense cultuur, deze niettemin regels bevatten die blijvend geldig zijn. Zij menen dat het in deze bijbelteksten ook gaat over de homoseksuele daden op zichzelf. Met het opsommen van de oorspronkelijke functies van deze teksten is nog niet de complete (antropologische) diepte ervan gepeild: Zij zeggen dus ook iets over het mens-zijn op zich. Homoseksuele daden worden in de bijbel voortdurend geplaatst in het kader van allerlei andere zonden en vergrijpen. Het zou dan ook onjuist zijn om alleen de homoseksuele praktijken daarvan uit te zonderen. Een homoseksuele levenswijze staat bovendien op gespannen voet met de scheppingsordening van God. Daarbij is het goed te bedenken dat de geboden in de Thora ook altijd een element in zich hebben dat de eeuwen door geldig blijft.
  4.  

  5. Tenslotte zijn er auteurs die erkennen dat de bijbel op alle plaatsen waar homoseksualiteit voorkomt negatief daarover spreekt. Daartegenover stellen zij dat het bijbelse liefdesgebod zo sterk is dat wij in het licht daarvan homoseksuelen niet mogen afwijzen en niet mogen verhinderen dat zij leven overeenkomstig hun identiteit en hun verlangens. Zelfs stellen sommigen dat de liefdesrelatie tussen homoseksuelen zelf als een vervulling van het bijbelse liefdesgebod gezien kan worden. Homo’s kunnen net zo goed als hetero’s een relatie opbouwen waarin eros, philia én agape een plaats hebben. Het navolgen van Jezus in de liefde (die geen onderscheid tussen mensen maakt) krijgt zo dus meer nadruk dan de hierboven besproken verboden. Het is goed als reactie hierop dr. J. Douma te citeren: “De liefde is wel de vervulling van de wet, maar niet de vervanging van de wet. Wie de liefde van het gebod loskoppelt, houdt een zeer vulgaire inhoud over.”

 

Over de huwelijksrelatie tussen man en vrouw is de bijbel zonder uitzondering positief. Dat geldt zowel voor de geestelijke als de lichamelijke kant van het huwelijk (Gen.2, Hooglied, e.a.). Weliswaar schrijft de apostel Paulus dat het in bepaalde omstandigheden goed kan zijn niet te trouwen (1Cor.7), maar dat neemt niet weg dat Paulus de huwelijksrelatie ook kan vergelijken met de relatie tussen Christus en de Kerk (Ef.5). Een van de zegeningen van het huwelijk is dat daardoor kinderen geboren worden, die in een veilige omgeving worden opgevoed tot geloof en verantwoordelijkheid. Dergelijke positieve noties klinken nergens in de bijbel t.a.v. een relatie tussen mensen van gelijk geslacht.

Als we het bovenstaande overzien, is er in feite niemand die in de bijbel gegevens vindt die een homoseksuele relatie rechtvaardigen. Wel is er verschil in omgang met deze conclusie. De uiteindelijke stellingname hangt sterk af van de toegepaste hermeneutiek (hoe krijgt de bijbeltekst geldigheid in het heden?). Is er morele kennis mogelijk buiten de openbaring om? Hoe grote plaats geven we aan de menselijke rede en ervaring?

 

Biologische en psychologische gezichtspunten

 

In een nota als deze kan slechts beperkt worden ingegaan op de biologische en psychologische kanten van homoseksualiteit. Toch is het goed om een aantal dingen te vermelden die in de discussie een belangrijke rol kunnen spelen.

In de eerste plaats is van belang de vraag naar de oorsprong van de homoseksuele geaardheid. Op dit punt bestaan drie meningen: a. Het is geheel aangeboren, b. het is geheel door het milieu en de levensgeschiedenis ontstaan en c. het is een combinatie van de vorige twee. In de ethische beoordeling maakt het verschil welke visie iemand aanhangt. Wanneer het om een onveranderbare geaardheid gaat, kan het feit dat iemand een homoseksuele relatie aangaat als een natuurlijke zaak beschouwd worden. Als iemand door omstandigheden zo geworden is, is het eerder natuurlijk om te zoeken naar een weg waarlangs de homoseksuele gerichtheid kan verminderen of verdwijnen. Anderzijds staan sommige ethici op het standpunt dat ‘natuurlijk’ niet altijd het criterium kan zijn. Bovendien, wie ervan uitgaat dat de zonde ook gevolgen heeft voor de natuur, is geneigd te denken dat homoseksuelen op hun manier geconfronteerd worden met een stuk gebrokenheid van de schepping of hun geaardheid als een kruis opgelegd hebben gekregen, zoals andere mensen op andere terreinen van het leven hun eigen gebrokenheid en kruis kennen.

In de tweede plaats is het goed de vraag naar de psychologie van homoseksualiteit neer te leggen. Ook dit is een terrein dat specialisme vraagt. In elk geval is duidelijk dat niemand zichzelf tot homo maakt. Mensen voelen zich innerlijk tot iemand van hetzelfde geslacht aangetrokken, of ze dat nu willen of niet. Psychologisch gezien is ontkenning dan ook de slechtste manier om hiermee om te gaan. In een aantal studies is aangevoerd dat wanneer men grondig in gesprek gaat met homo’s men steevast stuit op een complex aan minderwaardigheidsgevoelens en ontwikkelingsproblemen. Overigens sluit dit niet uit dat bepaalde mensen genetisch / biologisch meer vatbaar zijn om homoseksualiteit te ontwikkelen dan anderen. Er bestaan evenzoveel verhalen over ‘genezing’ van homoseksualiteit als over het mislukken daarvan. Daarbij maakt het uiteraard verschil of iemand wordt uitgenodigd om de homofiele gevoelens de vrije loop te laten of juist om vanuit acceptatie van deze gevoelens aan het werk te gaan om een weg te zoeken die begaanbaar is, ook voor het aangezicht van God.

 

Homoseksualiteit en de moderne cultuur

 

In de westerse cultuur is homoseksualiteit (officieel) een breed geaccepteerd verschijnsel geworden. De moderne visie erop is terug te voeren op een veranderde manier van denken, die met de Verlichting (vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw) haar intrede deed. Vanaf de Verlichting kwam de cultuur in toenemende mate los te staan van bijbel, geloof en kerk (secularisering). In de ethiek werd het menselijk verstand de belangrijkste norm en de autonomie van de mens het uitgangspunt. De idealen van vrijheid en gelijkheid brachten allerlei emancipatiebewegingen op gang, waardoor steeds meer nadruk kwam te liggen op de rechten van ieder individu. Het anti-discriminatiebeginsel en het streven naar emancipatie van homoseksuelen is daar onlosmakelijk mee verbonden. Westerse overheden stellen zich ten doel de acceptatie van homoseksualiteit te bevorderen: De Nederlandse overheid trok hier in 2010 nog ruim drie miljoen euro voor uit. Sinds 2001 is in Nederland het homohuwelijk wettig mogelijk. Een tiental westerse landen hebben nadien eveneens het huwelijk opengesteld voor mensen van gelijk geslacht. In allerlei landen is een stevige homolobby op gang gekomen (in Nederland vooral van de kant van het COC), die als een middel wordt ingezet om de belangen van homoseksuelen te behartigen en de maatschappelijke acceptatie van homoseksualiteit te bevorderen.

 

Kerkelijk spreken over homoseksualiteit

 

Over veel (ethische) thema’s heeft de kerk door de eeuwen heen op uiteenlopende manieren gedacht. In het geval van homoseksualiteit was er echter weinig of geen sprake van pluraliteit: Homoseksueel gedrag werd categorisch afgewezen, of het nu was in de vorm van de Griekse en Romeinse tempelprostitutie, in de vorm van het klassieke ideaal van liefde tussen meester en leerling, als liefde tussen jongens tijdens een aan de heteroseksuele fase voorafgaande homo-erotische fase, als uitlaatklep voor biseksuele mannen of als duurzame samenlevingsvorm tussen twee volwassenen van dezelfde sekse. Er bestond wel diversiteit in de consequenties die de kerk verbond aan homoseksualiteit: verbranding, opsluiting, uitsluiting van ambten en sacramenten en gedogen.
Tegen deze achtergrond is het opvallend hoe drastisch een ommezwaai heeft plaatsgevonden in het standpunt van veel kerken/gemeenten. De norm dat seksueel verkeer thuishoort in een huwelijk tussen man en vrouw was enkele decennia geleden gewoon, maar geldt op dit moment, ook binnen veel kerken, als een af te wijzen opvatting, die mensen buitensluit. Wanneer we de verandering in denken binnen de (wereldwijde) kerken willen karakteriseren, kunnen we spreken van een ethische revolutie. Het is goed om ons af te vragen welke rol de bijbel gespeeld heeft, zowel in de afwijzing als in de aanvaarding van homorelaties. Terwijl veel veranderde standpunten in de kerk tot stand kwamen doordat men zich door de bijbel gecorrigeerd wist (bijv. bij de afschaffing van de slavernij) lijkt het beter in het geval van homoseksualiteit te spreken van een correctie van de bijbel door de cultuur. Aangezien in de bijbel wel verboden op homoseksuele handelingen voorkomen, en geen verwijzingen naar goede, toegestane relaties tussen mensen van gelijk geslacht, ligt de conclusie voor de hand dat de bijbel geen steun biedt aan homorelaties. Doordat binnen de westerse cultuur anders over dit punt gedacht wordt, deed in delen van de kerken de mening opgang dat de bijbel niets zegt over homorelaties zoals wij die heden ten dage kennen. Binnen de Nederlandse Hervormde Kerk (voor 2004) verscheen in 1972 een minderheids- en een meerderheidsrapport over seksualiteit. In de synode werd het minderheidsrapport, dat homoseksualiteit een afwijking noemde, aangenomen. Nadat diverse commissies zich over het vraagstuk hadden gebogen, werd in 1995 door de synode besloten dat homoseksuele gemeenteleden ten volle aanvaard dienen te worden, al wordt erkend dat er bij allerlei groepen in de kerk bezwaren leven tegen een homoseksuele levenswijze. In dat geval gaat het om een verschillend lezen van de bijbel; daarover wil de kerk verder het gesprek voeren. Wanneer in 2004 de drie Samen-Op-Weg kerken opgaan in de PKN, wordt officieel geregeld dat het mogelijk is binnen de kerk homoseksuele relaties te zegenen. Bepaalde groepen, bijv. de Gereformeerde Bond en het Evangelisch Werkverband, kunnen zich niet in deze lijn vinden. Het gesprek hierover gaat voort in de synode. Inmiddels kent Nederland ook een aantal christelijke homo-organisaties (zoals Different en RefoAnders en andere organisaties, verenigd bij het LKP). De mate waarin deze organisaties homoseksualiteit afwijzen of accepteren verschilt sterk.

 

Pastorale overwegingen

 

Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat ongeveer 5% van de mensen een homoseksuele geaardheid heeft. Dat zou dus ook in onze kerkelijke gemeente zo kunnen zijn. Het is wellicht een grotere groep dan doorgaans wordt aangenomen. De te lage inschatting kan verschillende oorzaken hebben, zoals het feit dat gemeenteleden niet voor hun geaardheid durven uitkomen uit angst voor afwijzing en/of veroordeling. Ook is het mogelijk dat homoseksuelen zich vanwege vooroordelen die in de kerk leven zich niet actief in de gemeente opstellen. In elk geval zou een gemeente die het evangelie van genade probeert uit te dragen een veilige plek moeten zijn voor mensen om over hun geaardheid te spreken zonder afgewezen te worden. De acceptatie en het begrip kunnen toenemen, wanneer mensen voldoende kennis hebben van de feiten rond homoseksualiteit.

Het is niet juist om personen primair of uitsluitend te benaderen op grond van hun seksuele geaardheid. Seksualiteit is een belangrijk aspect van het menselijk leven, maar zeker niet het belangrijkste. In een seksualiserende samenleving is het goed wanneer de kerk een kritisch tegengeluid

laat horen en het goede voorbeeld geeft: Niet primair aandacht geven aan iemands seksuele geaardheid, met voorbijgaan van andere, wellicht veel belangrijker, persoonlijke eigenschappen.

In het beleid van de kerkenraad t.a.v. homoseksualiteit dient het ten principale te gaan om de vraag of homoseksueel geaarde medemensen zich binnen de gemeente door anderen aanvaard weten als kind van God en als medeleden van de gemeente. Afwijzende reacties vanuit de kerk heeft bij vele homoseksuelen (en hun ouders/familieleden!) geleid tot verdriet, verbittering en kerkverlating.

 

Evaluatie

 

In het bovenstaande is duidelijk geworden dat een bijbelse rechtvaardiging van homoseksuele relaties niet mogelijk is. De bijbel kent enerzijds een afwijzing van homoseksuele daden, anderzijds een lofzang op het huwelijk tussen man en vrouw. Wanneer wij, staande in de traditie van de kerk, belijden dat wij ons leven willen laten richten door het Woord van God, zal dit punt zwaar voor ons wegen. Juist in dit geval zullen we voorzichtig zijn met het gaan van een weg onafhankelijk van de bijbel. Intussen is de weg van gehoorzaamheid aan de Schrift niet de meest gemakkelijke, integendeel. Duidelijk moet zijn dat de liefde tot de homofiele medemens niet automatisch de acceptatie van homorelaties impliceert.

Omdat wij weten hoezeer mensen bepaald zijn door hun genen en gevormd door opvoeding en levenservaringen, kunnen we onmogelijk de homoseksuele geaardheid als zonde duiden. Wel kunnen we het typeren als gebrokenheid. Als we het zo beschouwen, is het onmogelijk mensen te stimuleren deze gebrokenheid als positief te beleven en uit te leven. Eerder past hier een integere, pastorale houding, gericht op het echte welzijn en heil van de ander.

Opmerkelijk is dat de kerk nogal eens de haar omringende cultuur gevolgd is in de acceptatie van homoseksuele relaties en het homohuwelijk. Het is belangrijk hierbij stil te staan: de impuls tot acceptatie ging uit van een cultuur die in toenemende mate leefde uit het gedachtengoed van de moderne, autonome mens die geen gezag toekent aan openbaring. De kerk laadt met afwijzing van homorelaties de verdenking van discriminatie op zich. Zij zal daarom ondubbelzinnig duidelijk moeten maken dat zij de homoseksuele mens aanvaardt, ook als kind van God en volwaardig lid van de gemeente.

Overwegingen en aanbevelingen

 

  1. Homoseksueel geaarde broeders en zusters zijn volwaardig (doop-)lid van onze gemeente. Net als voor andere gemeenteleden is er voor hen ook ruimte om actief te zijn in de gemeente, als deelnemer of leidinggevende, of, na belijdenis van het geloof te hebben afgelegd, als lid van de gemeente deel te nemen aan het Heilig Avondmaal. Ook wat betreft de ambten van predikant en kerkenraadslid is er deze ruimte voor homoseksuele broeders.
  2.  

  3. We realiseren ons dat we binnen onze gemeente dienen om te zien juist naar onze homoseksuele broeders en zusters. De christelijke gemeente zou bij uitstek een veilige plaats moeten zijn voor mensen met een homoseksuele geaardheid. Daarom is het belangrijk dat de leden van de gemeente goed op hoogte zijn van feiten rondom homoseksualiteit en van discussiepunten op dit terrein. Als wij van mening zijn dat homo’s geen seksuele relatie kunnen aangaan, hebben we een verplichtende pastorale opdracht als gemeente. Mensen met een homoseksuele geaardheid kunnen te maken hebben met een diepe eenzaamheid, aangezien ieder mens een natuurlijk verlangen naar wederzijdse liefde, het zoeken van eigen identiteit en een verlangen naar geborgenheid kent.
  4.  

  5. In gesprekken met gemeenteleden en jongeren over hun seksuele gerichtheid vinden we het belangrijk dat er een vertrouwensband is tussen de ‘pastor’ en het gemeentelid/de jongere. De gesprekken dienen in een sfeer van veiligheid gevoerd te worden. Verder is het goed dat er in deze gesprekken aandacht is voor de homoseksuele gevoelens, de persoonlijke relatie met God en het volgen van Jezus, en de richting van de weg die gegaan kan worden. Daarbij is verwijzing naar vormen van hulpverlening waarin geleerd wordt bewust met de eigen seksuele geaardheid in het reine te komen een serieuze optie.
  6.  

  7. Vanuit de christelijke barmhartigheid en het verlangen naar recht gaat de christelijke gemeente elke vorm van haat, geweld, veroordeling of uitsluiting van homoseksuelen tegen.
  8.  

  9. De bijbelse hoogachting voor het huwelijk tussen man en vrouw en de overtuiging dat het aangaan van een homorelatie mensen ten diepste niet brengt tot hun bestemming, maar eerder een cultivering van gebrokenheid is en daarbij een knieval voor de heersende mening in de cultuur, leidt ertoe dat in de gemeente geen homorelaties worden gezegend. De kerkenraad werkt niet mee aan inzegening van een homohuwelijk. Ook zien we het krijgen of adopteren van kinderen als voorbehouden aan een man en vrouw, binnen de bescherming van het huwelijk.
  10.  

  11. Wat betreft het leidinggeven binnen de gemeente (binnen verenigingen, groepen of kerkenraad) vinden we het belangrijk dat de betreffende broeders en zusters achter de mening van de kerkenraad staan en geen seksuele relatie hebben of aan zullen gaan.
  12.  

  13. Wanneer homoseksuele medegelovigen een relatie aangaan, is het de taak van de kerkenraad de ander voor Gods aangezicht te stellen en de onmogelijkheid van een bijbelse legitimatie van homoseksuele relaties te benadrukken. Net als we van alleengaanden, weduwen en weduwnaars en jongeren voor het huwelijk seksuele onthouding verwachten, mogen we dat ook vragen van homoseksuelen. Deze helderheid dient ook als steun in de rug voor die broeders en zusters met homogevoelens die bewust kiezen voor onthouding. We hebben geen vrijmoedigheid om homoseksuelen met een relatie toegang tot het Heilig Avondmaal te verlenen. Daarmee is gezegd dat pastoraat rondom gepraktiseerde homoseksualiteit de vorm aan kan nemen van (heilzaam bedoelde) kerkelijke tucht.

 

Geraadpleegde literatuur

  • Theo A. Boer, ‘Homoseksuele relaties en de bijbel’, in Kerk en Theologie 58 (2007)
  • Gerrit de Kruijf, Ethiek onderweg. Acht adviezen, Zoetermeer 2008
  • Jan Noordam, De huiver van Leviticus. Ethiek en pastoraat rondom homofilie en homoseksualiteit, Zoetermeer 1994
  • Pronk, Tegennatuurlijk? Typen van morele argumenten inzake homoseksualiteit, Amsterdam 1989
  • ‘Bouwstenen voor het gesprek over seksualiteit’, gespreksnota voor de Generale Synode van de PKN, november 2008